
תורה עבודה וגמילות חסדים
Torah, Avodah oeg'milut chassadim
De joodse traditie leert dat onze wereld op drie pijlers rust: de Torah, de eredienst en naastenliefde. Je kunt die combinatie op allerlei manieren beredeneren maar in elk geval gaat het hier ook om de relaties tussen God en de mens en om die tussen mensen onderling. De Torah is God’s woord tot Zijn volk, in de eredienst richt de mens het woord tot God en in daden van naasteliefde komt steeds de aandacht die we als mens voor elkaar (moeten) hebben weer naar voren. Onze kille is maar een klein stukje van de wereld. Het is daarvan wel een stukje dat op allerlei manieren laat zien wat de rabbijnen van weleer met hun uitspraken bedoeld kunnen hebben.
De Torah leert ons dat we de verplichting hebben om goed voor onze naasten te zorgen. God zelf laat ons zien hoe dat moet als Hij Chava en Adam van kleding voorziet, wanneer Hij Avraham ten tijde van ziekte bezoekt en ook op het moment dat Hij Mosjee begraaft. Zorg voor elkaar is een belangrijk gegeven in het jodendom. Het is iets waarop rabbijnen door de eeuwen heen steeds nadruk gelegd hebben in hun wetgeving en verhalen. Één van die verhalen speelt zich af in de studeerkamer van een rebbe.
Op een zekere dag kwam een chassied die zijn hele fortuin was kwijtgeraakt bij de rebbe binnen. Hij was wanhopig, maar niet omdat hij opeens een arm man geworden was.
“Als de Eeuwige het goed vindt om mij te straffen met armoede, dan aanvaard ik dat”, zei hij, “maar dat ik mijn schulden niet meer kan voldoen kan ik niet verdragen”. En hij ging door: “Ik ben nog nooit een belofte niet nagekomen. Ik heb mijn dochter een bruidsschat beloofd. Wat moet ik doen? Ik voel me vernederd en ik weet niet hoe ik verder moet met mijn leven”.
De rebbe had al die tijd nog niets gezegd. Pas toen de chassied was uitgesproken, antwoordde hij: “Ik hoor je de hele tijd spreken over wat je nodig hebt maar ik hoor je niks zeggen over de mogelijkheid dat jij ergens nodig zou kunnen zijn”.
De chassied schrok zo van wat de rebbe tegen hem zei, dat hij geen woord meer kon uitbrengen. Hij wandelde de studeerkamer van de rebbe uit en ging zwijgend terug naar huis. Daar wijdde hij zich helemaal aan het bestuderen van de Torah. Hij ging er zo in op, dat hij geen tijd had om zich zorgen te maken over de dingen die hij niet langer had. De armoede bleef, maar de chassied voelde zich heel gelukkig.
Na een paar weken kwam er een bericht van de rebbe waarin de rebbe de chassied vroeg om nog eens langs te komen. De chassied spoedde zich naar de rebbe, benieuwd wat er zou zijn. Dit keer sprak de rebbe een zegen uit en droeg de chassied op om naar huis te gaan en weer gewoon te gaan werken. De chassied deed wat hem gezegd werd en het duurde niet lang voordat hij weer veel geld verdiende. Hij werd rijker dan hij ooit geweest was, maar anders dan vroeger gebruikte hij zijn geld nu om er zijn naaste mee te helpen.
Het verhaal laat in het midden of het de woorden van de Torah of van de rebbe waren die de chassied inspireerden tot het doen van goede daden. Waar het om gaat is dat er gedeeld wordt met wie het nodig hebben. Dat kan zoals in dit geval door het verlenen van financiële ondersteuning. Het kan ook gaan om andere vormen van hulp. In een wereld waarin nogal eens gehoord wordt dat het individu steeds meer op de voorgrond treedt, is het een voorrecht om rabbijn te zijn van een gemeente waarin zorg voor je naaste iets heel gewoons is.
